Historie

Archeologie

artistieke interpretatie Krijn (© Kennis&Kennis, 2009)

Steentijden (ca. 100000-2000 v. Chr.)

Tot op heden is er nog weinig bekend over Steentijd-bewoning op Walcheren. Op het strand in de omgeving van Domburg werden enkele door de zee verspoelde vuursteenafslagen en –werktuigen gevonden. Deze dateren uit het midden-Paleolithicum (midden-steentijd) en zijn zo’n 100000 jaar oud. De vondsten zijn vermoedelijk afkomstig van een (nu in zee verdwenen) strandwal, een veilige hoge en droge plek in het toenmalige kustgebied. In 2001 werd een schedelfragment van een Neanderthaler gevonden, afkomstig van een gebied voor de Zeeuwse kust. Hij werd Krijn gedoopt en is de eerste Nederlandse Neanderthaler.

 

De voornaamste verklaring voor het ontbreken van vondsten in het achterland is de grote diepte waarop de Pleistocene pakketten liggen en waarop mogelijke steentijdbewoning kan worden gesitueerd. Bij het einde van de Laatste IJstijd, ca. 10000 jaar geleden, steeg de zeespiegel spectaculair en werd het grootste deel van Walcheren afgedekt met een dik pakket zeeklei. Op de meeste plaatsen is dit pakket tot circa 25 meter dik. Enkel in het zuidelijke deel, met name rond Vlissingen, kan het Pleistocene niveau al op 4 of 5 meter worden aangetroffen.

 

 

 

Uitgestrekt veenmoeras in de Bronstijd (2000-800 v. Chr.)

Uit de Bronstijd zijn evenmin vondsten bekend. Ook op de rest van Walcheren ontbreken vondsten uit deze periode. Vanaf ca. 4500 v. Chr. was in Walcheren door stijging van de zeespiegel een uitgestrekt veenmoeras aanwezig. De weinig aantrekkelijke woonomstandigheden op Walcheren zijn wellicht de oorzaak voor het ontbreken van bewoning in de Bronstijd.

 

 

Huisplattegrond bij Serooskerke (© ADC)

IJzertijd- en Romeinse Tijd (800 v. Chr.- 450 n. Chr.)

Vanaf de IJzertijd begon het veen te ontwateren en werd bewoning opnieuw mogelijk. Deze moet vooral gezocht worden op de hogere delen van het veen, in de buurt van ontwateringsgeultjes. Het gaat hierbij waarschijnlijk om kleine boerengemeenschappen die een voortdurende strijd tegen het water moesten voeren. Vanaf 500 v. Chr. werden de lagere delen van het land op regelmatige tijden overspoeld. Het door de zee afgezette slib wordt aangeduid als ‘slufter’. Bij recente opgravingen in de buurt van Serooskerke voor de aanleg van de nieuwe Rijksweg N57 werden een aantal van deze ‘slufterafzettingen’ opgetekend. Ook werden enkele huizen uit deze periode opgegraven. In de omgeving van deze bewoning zijn resten gevonden van akkers en ploegsporen die meermaals overspoeld en weer opnieuw in gebruik genomen zijn. Ook werd vastgesteld dat huizen op regelmatige basis verplaatst moesten worden voor het opkomende water, waarbij men de nog bruikbare houten palen gewoon hergebruikte voor de nieuwe woning.

 

Uit de Midden-Romeinse Tijd zijn in de omgeving van Domburg ondermeer een altaar en bouwmaterialen gevonden, die erop wijzen dat hier een tempel, gewijd aan Nehalennia, moet hebben gestaan. De inheems Romeinse bewoning bevond zich op dezelfde (soort) locaties als de bewoning uit de IJzertijd. Mogelijk werd ook de oude duinzone bewoond. De ontwatering, die vermoedelijk al in de IJzertijd op beperkte schaal gebeurde, nam nu meer georganiseerde vormen aan. Bij Serooskerke werd recent een zeven meter brede dijk opgegraven, opgetrokken uit schorreklei-plaggen, die meer dan 90m in het landschap te volgen was. Naast waterbeheersing lijken dit soort infrastructuurwerken ook een bijkomende economische functie gehad te hebben. De dijk sloot aan op een kleine terp met aan de flanken groot aantal afvalresten van mossels, kokkels en kreukels. Dit duidt mogelijk op een lokale verwerking van schelpdieren voor bv. vissaus.

 

Dit Romeinse ontwateringssysteem is vandaag nog herkenbaar in het rechthoekige patroon van de kreekruggen op bepaalde delen van Walcheren. De intensieve ontwatering had echter ook een keerzijde. De greppels maakten het voor de zeewater mogelijk tot ver in het binnenland te dringen, wat uiteindelijk leidde tot grote overstromingen en een terugval in het bewonersaantal. 

 

De vondsten uit deze periode zijn momenteel nog vrij beperkt. Een belangrijke oorzaak hiervoor is de grote zelneringsindustrie (zoutwinning) die Walcheren in de Middeleeuwen gekend heeft. Hierbij zijn grote delen van het Hollandveen en de daarop aanwezige bewoningsresten door veenontginning (moernering) verstoord.

 

 

uitsnede kaart Visscher-Roman (© ZA/ZI-I-0240)

De Vroege Middeleeuwen (450 n. Chr.-1050 n. Chr.)
Nadat de zee enkele eeuwen vrij spel had en het Walcherse gebied, op de Oude Duinen na, onherbergzaam was, vestigden zich vanaf ongeveer de 6e/7e eeuw na Christus opnieuw mensen op het eiland. Aanvankelijk zullen zij zich nog alleen in het gebied van de duinen hebben gewaagd.
Tussen Domburg en Oostkapelle, vermoedelijk net ten noorden van Domburg, was reeds vanaf het midden van de 6e eeuw de handelsnederzetting Walichrum gelegen. Deze nederzetting groeide in de loop van de 7e eeuw vermoedelijk uit tot de belangrijkste handelsplaats van het Merovingische/vroeg Karolingische Rijk. Resten van Walichrum zouden in de 17e en 19e eeuw (her)ontdekt ter hoogte van kasteel Westhove. Op de kaart van Visscher-Roman (ca. 1650) ) staat de plek aangeduid als "Verdronken Woninge der Oude Gotthen". Ook werden in de 17e eeuw op het strand van Domburg twee grafvelden uit deze periode gevonden, wat de aanwezigheid van een nabijgelegen nederzetting kracht bijzet.

 

 

 

Dit Walcheren werd aan het eind van de 7e eeuw bezocht door Willibrordus, waardoor de naam van de handelsplaats bij ons bekend raakte. De naam zal ook voor het gehele domein hebben gestaan dat behoorde bij de koningen van het Frankische rijk.

 

Waar de vroegste geschiedenis vooral een strijd tegen het water was, kenmerkt de latere geschiedenis zich door voortdurende conflicten over de controle over het strategisch gunstig gelegen Walcheren. Vanaf de 9e eeuw teisteren de Vikingen de kust- en rivierengebieden van West-Europa en het is dan ook niet verwonderlijk dat Walichrum in de loop van de periode tussen 840 en 880 haar betekenis heeft verloren. Bekend is dat in 837 het graafschap Walcheren, en waarschijnlijk vooral de gelijknamige handelsnederzetting, gebrandschat en geplunderd is.

 

In het binnenland van Walcheren waren de afgelopen eeuwen een groot aantal oude kreken verzand en was het omliggende klei en veenlandschap ingeklonken. De verzande kreken kwamen zo hoger te liggen dan hun omgeving en vormende op die manier hogere en drogere zones die geschikt waren voor bewoning en cultivering. Het is aannemelijk dat in het veengebied delen van de bevolking nooit zijn weggetrokken en hun strijd tegen het water zijn blijven voeren. De vondst van een huisplattegrond uit de late 7e eeuw n. Chr. bij Serooskerke tijdens de werken voor de Rijksweg N57 duidt al op een menselijke aanwezigheid op het veen, meer dan een eeuw vroeger dan vroeger gedacht.

 

De invallen van de Vikingen zorgen ervoor dat de tot dan onzichtbare plattelandsnederzettingen de handen in elkaar slaan en aan het einde van de 9de eeuw drie ringwalburgen opwerpen: de zuidelijke burg te Souburg, de duinburg te Domburg en de middelste burg te Middelburg. De leiding van de aanleg van de burgen was in handen van de graaf van Walcheren, als bewaarder (vicilius) van het koningsgoed. Maar ook de vicilii van de abdijen van Echternach en van Sint Baaf zullen hiermee gemoeid zijn.

leven in de ringwalburg (© Polderman, 2003)

De burgen hadden aanvankelijk enkel een verdedigende functie bij gevaar (vijanden, overstromingen,...). In vredestijd was de burg waarschijnlijk onbewoond. Vanaf de 1000 n. Chr. werden ze als verdedigingswerken opgeheven en bebouwd. Vanuit deze burgen gaan zich de Walcherse dorpen en steden ontwikkelen. De ringwalburg van Domburg vormt echter een uitzondering. Door het verval van Walichrum en het verplaatsen van de economische activiteiten naar het binnenland kende de burg een snel verval. In de loop van de 10e en 11e eeuw werd zij grotendeels overstoven met duinzand.

 

 

 

 

Late Middeleeuwen

Middelburg groeide al snel uit tot een belangrijke havenplaats en vormde in de 11e eeuw het bestuurscentrum van Zeeland Bewesten Schelde (het gebied tussen de Ooster- en de Westerschelde) voor de graaf van Vlaanderen. Rond 1123 wordt de abdij in Middelburg gesticht die al snel grote invloed verwierf in heel Zeeland. In de loop van de 12e en 13e eeuw kende Walcheren een grote bevolkingstoename. Dit blijkt ook uit de afsplitsing van maar liefst 31 dochterkerken van de vijf oude kerken (Westmonsterkerk, Noordmonsterkerk, Westkapelle, Oostkapelle en Souburg). In deze periode worden nagenoeg alle Walcherse kernen gesticht. De diverse Walcherse parochies vielen onder bestuur van een lokale heer. Deze ambachtsheren richtten overal in het land kleine versterkte vluchtheuvels, de zgn. ‘vliedbergen’ op, van waaruit ze hun landerijen konden overschouwen. Enkelen groeiden uit tot echte kastelen, waarvan Sandenburgh, het kasteel van de heren van Borselen (vanaf midden 14e eeuw ‘heren van Veere’ genoemd), het bekendste was.

 

Walcheren had een gunstige positie op een knooppunt van vaarwegen en het overgangsgebied van zee- en rivierscheepvaart. Dit succes kende echter ook een keerzijde. In de periode van bijna drie eeuwen tussen ca. 1050 en 1323) was Zeeland Bewester Schelde de inzet van veel vijandigheden tussen Vlaanderen en Holland, waarbij Middelburg verscheidene malen werd belegerd. Deze strijd om de controle van het strategisch belangrijke Walcheren zou de hele geschiedenis voortduren.

 

Middelburg - Jacob van Deventer (© ZA/ZI-I-0294)
Veere - Jacob van Deventer (© ZA/ZI-I-0340)
Vlissingen - Jacob van Deventer (© ZA/ZI-I-0363)

 

In het begin van de 13e eeuw verwierven enkele Walcherse kernen stadsrechten: Middelburg in 1217, Domburg en Westkapelle in 1223. In geval van Domburg en Westkapelle gaat het om zgn. ‘smalsteden’ met beperkte rechten. Rond 1235 wordt ook Vlissingen voor het eerst in de bronnen genoemd. Aanvankelijk als kleine vissershaven, maar in 1304 werd er ten zuidoosten van het dorp een nieuw Vlissingen gesticht dat in 1315 stadsrechten kreeg en al snel uitgroeide tot een belangrijke havenstad. Veere, gegroeid uit Campvere, de havenplaats van Sandijk, verwierf pas in 1355 stadsrechten.

 

Middelburg groeide verder uit tot een belangrijk bestuurlijk en religieus centrum. De aanleg van de eerste stadsversterking moet worden gedateerd rond 1250. Vlissingen krijgt eind 15e eeuw zijn eerste omwalling. De stadsplattegronden van Jacob van Deventer laten de situatie in het midden van de 16e eeuw zien. [afb van Deventer]. Ook Veere zich onder het bewind van de machtige Heren van Veere tot een zeer welvarende vissers- en handelsplaats.

 

 

moernering te Gobbenoord (© AWN Zeeland)

Naast handel en visserij vormde ook de zoutindustrie een belangrijke economische tak. Bij de steden werd zoutketen opgericht en grote delen van het veen werden systematisch afgegraven (gemoerneerd) om er zout uit te winnen. Deze industrie bleef tot ver in de Nieuwe Tijd voortduren. Hierbij zijn ook een groot aantal IJzertijd en Romeinse sites op de top van het veen verdwenen. De AWN Zeeland heeft al veel onderzoek naar deze zoutwinning gedaan. Een foto op Gobbenoord illustreert de systhematische ontginningsputten.

 

 

 

Reformatie en Tachtig-jarige Oorlog

Nadat in de eerste helft van de 16e eeuw de Reformatie had ingezet, ontstonden aan het begin van de tweede helft van deze eeuw de eerste hervormde gemeenten in Middelburg. In 1567 woedde de beeldenstorm in de abdij en de kerken van Middelburg, waarna de hervormden de stad onder controle hadden. Onder leiding van hertog van Alva werd in hetzelfde jaar het katholieke geloof weer hersteld.

 

Een jaar later brak de Tachtigjarige Oorlog uit. De Spanjaarden richten grote vernielingen aan op Walcheren, waarbij ondermeer Westkapelle en Arnemuiden verwoest werden. In tegenstelling tot de andere Walcherse kernen bleef Middelburg trouw aan de koning van Spanje. Na de overwinning van Willem van Oranje in 1574 verloor de stad een groot aantal privileges. Arnemuiden werd in 1574 door Willem van Oranje beloond met beperkte stadsrechten.

 

Zowel Vlissingen, Middelburg als Arnemuiden kenden enkele grote stadsuitbreidingen in het laatste kwart van de 16e eeuw, waarbij fortificaties, poorten en grachten werden aangelegd. De haven van Arnemuiden verlandde vrij snel maar in de andere twee steden werd de haveninfrastructuur sterk uitgebreid. Toen in 1585 Antwerpen zich overgaf aan de Spanjaarden leidde dit tot een grote stroom van vluchtelingen naar het noorden. Onder de vluchtelingen waren boeren en handarbeiders, maar ook geschoolde ambachtslieden, intellectuelen, kunstenaars en rijke kooplieden. Zij droegen alle in belangrijke mate mee aan de bloei van de Gouden Eeuw, die voor Walcheren ongeveer lag tussen 1590 en 1670.

 

 

wereldkaart Ortelius, ca. 1570 (bewerking WAD)

 

De Gouden Eeuw

Uit verschillende handelscompagnieën werd in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht voor de vaart op het oosten en in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC) voor de vaart naar het westen. Middelburg, Vlissingen en Veere vormden de Tweede Kamer van Zeeland van zowel VOC als WIC. Een periode van welvaart brak aan, niet alleen door de inkomsten uit buitenlandse handel maar ook door de bloei van de hieraan gekoppelde ambachten. De scheepswerven van de Compagnieën zorgden eveneens voor een grote tewerkstelling. Ook op cultureel gebied beleefde Walcheren hoogtijden met ondermeer de dichter Jacob Cats. De gegoede burgerij richtte voor zichzelf prachtige buitenplaaten op het platteland in die Walcheren de titel 'de tuin van Zeeland' bezorgden.

 

Naar het einde van de 17e en zeker in de loop van de 18e eeuw liep de welvaart langzaam terug, men spreekt van de ‘Zilveren Eeuw’. De vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) bracht een gevoelige slag toe aan de Nederlandse handel in Azië. Onder de aanhoudende druk van Engeland en een grote schuldenlast moesten zowel VOC (1798) als WIC (1791) aan het einde van de 18e eeuw de boeken neerleggen, waardoor de Walcherse economie volledig in elkaar stortte.

 

Veere anno 1809 (© Veerse Courant)

Franse en Hollandse tijd

In 1795 bezetten de Franse troepen Walcheren en een nieuwe periode van verval brak aan in de zogenaamde ‘Franse Tijd’ (1795-1814). Veel historische gebouwen werden gesloopt, in Veere werden nieuwe verdedigingswerken aangelegd en het bevolkingsaantal liep overal sterk terug. Vanaf 1806 eindigde de Bataafse Republiek en begon het Koninkrijk Holland met Lodewijk Bonaparte op de troon. In 1809 deden de Engelsen een mislukte invasie in Walcheren, die in 2009 met groot vertoon werd herdacht in Veere. In 1814 eindigde de Franse bezetting. De Oranjes keerden terug uit Engeland en Willem I werd koning over Nederland en België. Onder Willem I ging, ondanks diverse initiatieven, de economische malaise verder.

 

Industrialisatie

In 1817 werd het kanaal naar Middelburg-Veere gegraven en in 1867 het kanaal Middelburg-Vlissingen, waardoor het kanaal door Walcheren ontstond. Voor dit kanaal moest een deel van de historische vestingwerken van Middelburg en Veere wijken. In 1872 werd de spoorlijn in gebruik genomen.

 

Het industrialisatieproces dat Nederland kende in de tweede helft van de 19e eeuw, is op Walcheren, hoofdzakelijk vanwege haar geografische ligging, maar misschien ook door een minder ambitieus en gunstig ondernemingsklimaat, niet goed doorgezet. Wel kende Middelburg en Vlissingen in deze periode verschillende scheepswerven, waaronder de bekende werf van ‘de Schelde’ te Vlissingen. Ook begon het toerisme meer en meer aan belang te winnen. Domburg werd in de tweede helft van de 19e eeuw een belangrijke badstad getuige ondermeer de oprichting van het Badhotel in 1866.

dijkdoorbraak bij Westkapelle (© R.A.F.)

 

Tweede Wereldoorlog

De eerste helft van de twintigste eeuw verliep vrij rustig en was een periode waarin belangrijke monumenten werden gerenoveerd. De Tweede Wereldoorlog brak deze periode van rust af. Waar de rest van Nederland al op 14 mei tot de overgave werd gedwongen, bleef Zeeland als enige provincie, door de aanwezigheid van een groot aantal Franse troepen, weerstand bieden. Om de Fransen te verjagen en zeeland te veroveren voerden de Duitsers op 17 mei 1940 zware bombardementen uit op Walcherse steden, waarbij de binnenstad van ondermeer Middelburg en Vlissingen nagenoeg volledig in puin werd geschoten.

 

Ook het einde van de oorlog eiste een zware tol. Ter voorbereiding van de landingsoperatie op de Walcherse kusten besloten de geallieerde troepen het land onder water te zetten. Begin oktober 1944 werden op meerdere plaatsen de dijken stukgeschoten. Hierbij ging men rigoureus te werk met dramatische gevolgen voor Westkapelle. Het dorp werd in enkele uren tijd door slecht gecoördineerde bombardementen en het inspoelende zeewater grotendeels van de kaart geveegd. De Westkapelsche Kreek is hiervan nog een stille getuige. Gedurende bijna twee jaar had de zee vrij spel tot in 1946 het laatste gat in de dijk gedicht kon worden. Door hun hogere ligging op de kreekruggen waren de meeste dorpskernen gespaard gebleven, maar niettemin was de schade aan huizen, vee, land- en tuinbouw niet te overzien.