Gemeente Middelburg,

Hazenburg II

Projecten

Aan de Derringmoerweg te Arnemuiden plant de gemeente Middelburg de verdere ontwikkeling van de wijk Hazenburg. Op het terrein heeft in de periode 2007-2013 al grondig vooronderzoek plaatsgevonden in de vorm van archeologische boringen, veldkartering en proefsleuven.

 

Uit deze sleuven bleek dat er uit de IJzertijd en de Romeinse Tijd geen restanten meer aanwezig zijn, mede door de uitvoerige Middeleeuwse moerneringswerken in het gebied. Op de getijde-inversieruggen (kreekruggen), ter hoogte van de Derringmoerweg en aan de zuidelijke en oostelijke zijde van het gebied werden wel talrijke sporen van Middeleeuwse bewoning aangetroffen. Het vermoeden was dat er zich meerdere boerderijerven op de locatie bevonden. Deze hogere zones in het  landschap vormden immers vanaf de Vroege Middeleeuwen uitstekende vestigingsplaatsen.

Tijdens het archeologisch veldwerk in september 2014 werden door de Walcherse Archeologische Dienst vier zones, gesitueerd op een kreekrug, binnen het plangebied onderzocht. De verwachting uit het vooronderzoek dat er Middeleeuwse bewoning op deze plekken aanwezig was werd bevestigd. In alle werkputten werden meerdere sporen met Middeleeuws aardewerk gevonden. Het ging met name om greppels, kuilen, paalkuilen, karresporen en ophogingspakketten.

 

Met name de zuidelijke kreekrug (zone A), lijkt de kern van de bewoning in de tijd te zijn geweest. Hier werden verschillende oversnijdende greppels aangetroffen die tot diverse erven lijken te behoren. Om een beter zicht op de sporen te krijgen werd gebruik gemaakt van een drone met camera die luchtfoto’s van het onderzoeksgebied heeft gemaakt. Deze opnames werden gemaakt door dr. Jeroen de Reu van het archeologisch bedrijf GATE Archaeology en de UGent. De opnames werden op basis ingemeten GPS punten gegeorefereerd en vormen een bijzonder goede aanvulling op de klassieke dataset van de archeoloog.

 

De aangetroffen erven hebben niet gelijktijdig bestaan maar vertegenwoordigen een opeenvolging van verschillende generaties bewoning. Het vondstmateriaal uit de sporen wijst op een periode tussen 900 en 1400. Binnen deze erven werden diverse paalkuilen en kuilen gedocumenteerd die duiden op een intensieve menselijke bewoning. Eén, mogelijk twee, plattegronden konden in kaart worden gebracht. Het leidt geen twijfel dat er zich binnen de diverse erfafbakeningen echter meer structuren moeten hebben bevonden. Deze konden echter niet of nauwelijks meer gereconstrueerd worden. Hiervoor zijn meerdere verklaringen denkbaar: Zo lijkt vanaf de 13e/14e eeuw funderen op poeren de voorkeur te krijgen op diepe paalfunderingen. Deze structuren blijven door de tijd minder goed bewaard en zijn bijgevolg voor archeologen minder goed herkenbaar. Hierbij komt dat de hoger gelegen kreekzone, waarop de Middeleeuwse bewoning zich bevindt, in de loop der eeuwen door landbouwactiviteiten afgetopt lijkt te zijn. Minder diepe grondsporen zijn in dit geval verdwenen. Het feit dat van de daadwerkelijk aangetroffen paalsporen nog slechts een restant in de bodem resteert, ondersteunt deze theorie. De diepere sporen als greppels en enkele kuilen zijn wel nog goed herkenbaar. Enkele van deze sporen leverden ook mooi vondstmateriaal op, zoals een fraai bewerkt benen schijfje en een groot fragment van een zogenaamd ‘strijkglas’, een gepolijste glazen bol die werd opgewarmd en voor het strijken van kledij werd gebruikt.

 

In zone B en D werden sporen van ondermeer hooimijten gevonden. Deze zones werden geïnterpreteerd als perifere gebieden om de centrale woonkern in zone A. In zone C kon bij de aanleg van een diep profiel een goed beeld verkregen worden op strijd van een Middeleeuwse boerengemeenschap tegen het oprukkende water van de zee voor de volledige bedijking van Walcheren. In de bodemstratigrafie zijn de resten van een kreekje zichtbaar met daarlangs een oeverwal. Op deze hoger gelegen wal zijn een verschillende loopniveaus aanwezig, afgewisseld met overspoelingspakketten van zeeklei en bewust aangebrachte ophogingsniveaus. Een klein plaggendijkje aan de rand van de kreek toont aan dat de mens ook minstens op één moment in de tijd gepoogd heeft actief de kreek te verleggen of de begaanbare zone te verbreden.

Archeologisch onderzoek in het buitengebied kan naar gewoonte op minder publieke belangstelling rekenen dan onderzoek in de binnenstad. Toch konden we ook op deze opgraving rekenen op belangstelling van de pers en twee schoolklassen uit het Calvijncollege. De leerlingen kregen op de opgraving een eerste beeld op het werk van archeologen en mochten vervolgens onder begeleiding zelf in kleine groepjes met schepjes en troffels in de weer om enkele Middeleeuwse sporen te onderzoeken op vondstmateriaal. Met succes, zo bleek uit de goed gevulde vondstzakken!