Bodem & landschap

Archeologie

Zeeland en meer specifiek Walcheren is bij uitstek een regio waar de wisselwerking landschap-mens een zeer prominente rol vervult. De niet aflatende strijd tegen de zee loopt hier als een rode draad doorheen de geschiedenis en is met name terug te vinden in de bodemstratigrafie.


Het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO heeft reeds uitgebreid onderzoek gedaan naar de ontstaansgeschiedenis van het Zeeuwse landschap. Een kort overzicht van dit onderzoek, aangevuld met enkele recente bevindingen, wordt hieronder weergegeven (TNO1997).

 

Pleistoceen dekzand
De oudste bewoning op Walcheren gaat vermoedelijk al terug tot het midden-Paleolithicum (oude steentijd) en zijn mogelijk al 100000 jaar oud. Deze resten zijn enkel bekend uit vondsten aan de Walcherse kust. Ook uit het Mesolithicum (midden-steentijd), zo'n 10000 jaar geleden, zijn vondsten uit het kustgebied bekend.

 

Het landschap zag er in die tijd heel anders uit dan vandaag. De Noordzee bestond nog niet, maar was een beboste laagvlakte, bekend als Doggerland. Op die manier was het mogelijk te voet naar de huidige Britse Eilanden te gaan. De recente vondst van het schedelfragment van  Neanderthaler Krijn voor de Zeeuwse kust toont aan dat er in die tijd ook al mensen leefden in het gebied. Circa 10000 jaar geleden eindigde de Laatste IJstijd en begon de aarde op te warmen. Deze nieuwe periode wordt het Holoceen genoemd. De ijskappen aan de polen smolten gedeeltelijk en de zeespiegel begon te stijgen. In Zeeland betekende dit in het begin van het Holoceen een stijging van de zeespiegel met meer dan 75 cm per eeuw. De Pleistocene niveaus bevinden zich op het grootste deel van Walcheren op een diepte van 20-25m. Naar het zuiden lopen ze op tot 4-5m diepte.

 

 

kwelder op Schiermonnikoog (© www.nlnatuur.nl)

Vorming basisveen & Laagpakket van Wormer
Tussen 8000 en 5500 jaar geleden vormde zich in grote delen van Zeeland een brak, permanent onder water staand gebied, een lagune. Deze lagune werd afgeschermd van de zee door een getijdengebied van zandplaten, dat werd doorsneden door getijdengeulen. Landinwaarts bevond zich een kwelzone waar grondwater, afkomstig van de hoger gelegen zandgronden, aan het oppervlak kwam. Door de natte (zuurstofarme) omstandigheden in de kwelzone, bleven de afgestorven plantenresten bewaard waardoor in deze zone veen werd gevormd. Dit veen wordt omschreven als ‘Basisveen'. Aan de randen van het mariene gebied vormden zich slikken en schorren. Aanwijzingen voor bewoning in deze periode ontbreken voor de gehele regio.


Door de verdere afname van de zeespiegelstijging begon het getijdengebied geleidelijk weer te verlanden en plaatselijk begon zich zelfs veen op de getijdenafzettingen te vormen.

 

 

Hollandveen

Vorming Hollandveen
Zo'n 1000 jaar later hadden strandwallen hadden hun maximale landinwaartse positie bereikt. De getijdengeulen die instonden voor de afwatering vanuit het achterand verlandden en er onstond een groot kustmoeras. In dit moeras kon zich opnieuw veen ontwikkelen.


Vanaf 2500 v.Chr. tot ongeveer 750 v. Chr. was Zeeland bijna geheel veranderd in een groot veenlandschap. Dit dikke veenpakket werd het Hollandveen genoemd. Langs de kust had zich vermoedelijk een vrijwel gesloten rij van strandwallen gevormd. De zompige omstandigheden in het veengebied verklaren het geringe aantal archeologische vondsten in de regio. Bewoning moet voornamelijk gezocht worden op de strandwallen- en in het duingebied.

 

 

 

Slufters’ in noordwest Walcheren

Vanaf 500 v. Chr. nam voor het eerst sinds lange tijd de invloed van de zee in de kustzone weer toe, zij het op beperkte schaal. In het noordwestelijke deel van Walcheren brak tijdens storm de strandwal door en ontstonden kleinere getijdengebieden vlak achter het strandwallen- en duingebied. Deze gebiedjes zijn vergelijkbaar met de huidige “Slufter” op het eiland Texel.

 

Rond 200 v.Chr vestigde de mens zich weer in bepaalde delen van het “slufter-gebied” van noordwest Walcheren. De openingen in de strandwallen vóór de bewoonde gebiedjes waren weer grotendeels gesloten waardoor de stormvloeden daar niet meer konden binnendringen. De sporen van menselijke aanwezigheid in het veengebied grenzend aan het slufter-gebied van Walcheren wijzen erop dat het veen daar dus (met de hulp van kanaaltjes) ontwaterd moesten zijn.

 


Bodemkaart Bennema & Van der Meer (© ZA/ZI-I-294)

Ontwatering in de Midden-Romeinse Tijd

Tijdens de Midden-Romeinse Tijd keerde de mens weer op grote schaal terug naar het Zeeuwse kustgebied en wel vooral naar het veengebied. De grootste bewoningsconcentratie wordt gevonden op Walcheren. De grootschalige verbreiding van de bewoning op het veen houdt in dat in de Midden-Romeinse Tijd grote delen van het veengebied werden ontwaterd. De mens heeft het natuurlijke ontwateringsproces, via kreekjes en riviergeulen, bevorderd door het graven van sloten. Bij Serooskerke werd recent een deel van een Romeinse dijk opgegraven en op de bodemkaart zijn de rechte patronen van de Romeinse sloten in de ondergrond nog steeds herkenbaar.

 

 

 

 

Vorming Laagpakket van Walcheren

De ontwatering van het veengebied in de Midden-Romeinse Tijd heeft grote landschappelijke gevolgen gehad. Door deze ontwatering, oxidatie en afgraven van het veen daalde het maaiveld waardoor de zee opnieuw vat kreeg op het veengebied. De lage delen werden overspoeld, geulen sneden zich diep in het achterland in en erodeerden grote gebieden. Rond 300 n. Chr. zette dit zichzelf versterkende proces van veenverdrinking definitief door en 50 tot 100 jaar later was het grootste deel van Zeeland weer veranderd in een getijdengebied. In tegenstelling tot de verdrinking van Zeeland in de eerste helft van het Holoceen, was het dus nu niet de zeespiegel die de belangrijkste factor voor de overstroming was, maar de bodemdaling en erosie van het veen. Deze afzettingen worden aangeduid als het Laagpakket van Walcheren. De ironie wil dat net de mens in zijn pogingen het land te cultiveren aan de basis lag van deze nieuwe overstromingen. Aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid uit die tijd zijn nauwelijks meer gevonden.

 

De overstroming van Zeeland ging in de daarop volgende eeuwen door. De kust was geheel opengebroken en er vormde zich een uitgestrekt systeem van zeegaten en getijdengeulen. De bewoning in het kustgebied bleef schaars. Alleen in het strandwallen- en duinengebied ten noorden van Domburg is een grafveld uit die tijd gevonden.

 

 

vorming kreekrug (© Rijkstuinbouwconsulentschap, 1951)

 

Vorming van kreekruggen

Vanaf circa 750 n.Chr. kwam in het zuidoostelijk deel, ten noorden van het Verdronken Land van Saeftinge, geleidelijk een geulverbinding tot stand die in latere eeuwen steeds belangrijker werd, namelijk de Honte, de verbinding tussen de Schelde en de Westerschelde-monding. In het centrale deel van het getijdengebied verlandden de oude geulen geleidelijk. De zetting (compactie) die plaatsvond in de verzande geulen was minder groot dan die in het ernaast gelegen kleigebied met veen in de ondergrond. Door de zettingsverschillen ontstonden lage zandige “inversie” ruggetjes in het getijdenlandschap. Deze kreekruggen hebben de basis gelegd voor het huidige Walcherse bewoningslandschap.

 

De tot dan kleinschalige plattelandsbewoning werd door de invallen van de Vikingen aangezet tot het oprichten van de ringwalburgen. Deze burgen vormden de aanzet voor de eerste steden op Walcheren van waaruit een groot aantal kleine parochiedorpen op de kreekruggen werden gesticht. De invloed van de zee werd vanaf de Middeleeuwen sterk ingeperkt door grootschalige bedijkingen.

 

 

Inundatie 1944

Hoewel het landschap vanaf de Middeleeuwen geen ingrijpende veranderingen meer heeft ondergaan, heeft de dijkdoorbraak in 1944 en de daarop volgende inundatie van Walcheren zijn sporen nagelaten in het Walcherse bodemarchief. Op vele plaatsen zijn nog pakketten terug te vinden die aan deze tijd herinneren.